PicusPark woning voor Marloes en Mattijs

Eindelijk is de kogel door de kerk…. Marloes en ik zijn ingeloot voor het PicusPark nieuwbouw project in hartje centrum Eindhoven. Hierbij wat beeld materiaal (klik op de plaatjes voor een vergroting ). Op www.picuspark.nl is nog meer informatie te vinden

16 June 2007
By on 19:51
Flickr site update

Voor de eerste keer, en tevens hoog nodig, heb ik een flinke update voor mijn Flickr site geupload. Nu vooral veel ouder materiaal bijelkaar gezocht en hier en daar wat hoognodig bij ge-shopped.Mocht je interesse hebben, dan kun je hier deze laatste update en natuurlijk tevens de oudere foto’s bekijken en voorzien van commentaar (of klik op de image).

26 April 2007
By on 14:47
Publicatie THVL.nl

In het blad "Architectuur NL", uitgave nummer 3 van 2007, wordt de THVL website (www.thvl.nl) beschreven als een "overzichtelijke site" met "veel visuele informatie".


By on 14:43
Flickr site

Sinds deze week heb ik mijn eigen contributie bijgedragen aan de Flickr community. Waarschijnlijk de grootste online photography community. Mocht je interesse hebben, dan kun je hier mijn mooiste foto’s bekijken en voorzien van commentaar (of klik op de image).

9 March 2007
By on 14:12
Website THVL

Sinds donderdag 8 februari staat de nieuwe website voor het Eindhovense Architecten bureau Ter Haar en van Ling Architecten online. Het ontwerp is met hulp van Mark van der Net uitgewerkt en voorzien van een content management systeem( click to enlarge ).

9 February 2007
By on 11:31
kerstkaart

Het uiteindelijke ontwerp voor onze eigen kerstkaart voor 2006. Met enige hulp van het "advanced photoshop" magazine issue 25 ( click to enlarge ).

22 December 2006
By on 14:47
Portfolio

Mijn portfolio in pdf formaat is hier te downloaden: Portfolio

21 November 2006
By on 08:17
Inleiding, Strategie en Analyse

Het Atelier ParkSTAD2015, opgericht als afstudeer platform bij de faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven, heeft zich vanaf haar oprichting in april 2005 bezig gehouden met de herstructureringsopgave van de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. De Westelijke Tuinsteden, ontworpen door Cornelis van Eesteren begin 20e eeuw en uitgevoerd in de tweede helft van de 20e eeuw, zijn opgezet volgens de modernistische opvattingen over de stedenbouw. De Westelijke Tuinsteden worden gekenmerkt door een grote focus op het ideaal van een collectieve samenleving en een vooraanstaande nadruk op de hygiëne van de leefomgeving. Het plan vormt een reactie op de toegenomen groei van de stadsbevolking die aan het einde van de negentiende eeuw tot overbevolking en onhygiënische stedelijke leefomstandigheden leidde. De compacte opbouw van de negentiende-eeuwse steden was niet langer voldoende om de toegenomen urbanisatie en industrialisatie te kunnen weerstaan. Aan het vervaardigen van het ontwerp voor de Westelijke Tuinsteden ging een zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek vooraf. Met dit onderzoek werd geprobeerd op basis van prognoses over bevolkingsgroei, benodigde infrastructuur en groenvoorzieningen een plan neer te leggen dat voor vele jaren van stadontwikkeling zou kunnen volstaan. Het plan voorzag in een uitbreiding van de stad die was gecalculeerd op een toekomstige bevolking van Amsterdam van één miljoen inwoners voor het jaar 2000. Er werd gezocht naar nieuwe en modernere benaderingswijze binnen de stedenbouw om zodoende meer aan te kunnen sluiten op de vraag van de moderne tijd. Dit heeft geleid tot een uitgesproken verkavelingstypologie die uitgaat van een herhaling van ensembles van stroken die zó geplaatst worden opdat een optimale bezonning van de woningen verkregen wordt. Hiernaast overheerst er een functionalistische scheiding van het leefgebied in zones van werken, wonen, recreëren en natuur.

Cornelis van Eesteren, Het Algemene UitbreidingsPlan en de Westelijke Tuinsteden

Wat eerst een ideale woonomgeving moest worden voor de nieuwe moderne familie, is vandaag de dag verworden tot een van de meest problematische leefgebieden van de hedendaagse stedenbouw. De collectieve samenleving die de modernisten voor ogen hadden blijkt in de huidige individualistische maatschappij een sprookje, waardoor de modernistische stedenbouwkundige structuur als oud en versleten aandoet. De eens zo zorgvuldig ontworpen en in scène gezette groene en openbare ruimte heeft vandaag de dag slechts geleid tot een leegte van tachtig procent van het totale oppervlak van de Westelijke Tuinsteden. Een leegte die in schril contrast staat tegenover de toegepaste typologieën van de bebouwing, de massa. Het is duidelijk dat het gebied niet meer voldoet aan de woonbehoeften van deze tijd. Deze tekortkomingen worden nog eens versterkt doordat het gebied zichzelf, in tegenstelling tot de 19e eeuwse binnensteden, nooit heeft weten te positioneren als ‘nostalgisch’ kwalitatief gebied. Er blijkt weinig waardering te zijn voor de resultaten van de modernistische opvattingen. In combinatie met achterstallig onderhoud en een dreigende gettovorming leidt dit tot een slecht imago van deze gebieden. De vraag die hierbij opkomt is of er een keerpunt te bereiken is; een keerpunt waarop de Westelijke Tuinsteden evenals de oude binnensteden een dergelijke en eventueel terechte kwaliteit en nostalgie toegedicht zullen worden. Momenteel zijn de Westelijke Tuinsteden onderhevig aan een grootschalige herstructurerings-opgave die uitgestreken wordt over de verschillende delen van het gebied. Binnen deze strategie richten de opgaven zich vooral op het laten toenemen van de diversiteit van de bevolking. Om dit te bewerkstelligen worden ruim 13.000 (van de in totaal 30.000) woningen gesloopt (veelal sociale huur) en vervangen door koopwoningen of huurwoningen in het duurdere segment. Deze aanpak past in de plannen van de gemeente Amsterdam die druk bezig is aan een conversie van haar woningvoorraad. Deze strategie lijkt zich echter niets aan te trekken van de bestaande structuren van de Westelijke Tuinsteden en de achterliggende ideeën van onder andere Van Eesteren. Er wordt een strategie toegepast die vertrekt vanuit een Tabula Rasa terwijl er juist gewerkt wordt in een gebied dat beladen is met een sterke stedenbouwkundige traditie. De nieuwe projecten lijken zich enkel en alleen op zichzelf te richten waardoor ze de uitstraling krijgen van solitaire wooneilanden binnen de bestaande structuur van de Westelijke Tuinsteden.    


Recente resultaten van de herstructureringsopgave van de Westelijke Tuinsteden

Strategie

Het atelier Parkstad2015 zet haar vraagtekens bij de aanpak en de huidige invulling van de herstructureringsopgave. In haar visie wordt te weinig onderzocht wat de potenties van de modernistische hardware zijn voor een dergelijke opgave. Juist de weidse opzet van de Westelijke Tuinsteden, zowel in bebouwing als in openbare ruimte, legt een speelruimte en een tolerantie bloot. Een tolerantie die de deur openzet voor een scala aan mogelijke invullingen. Het atelier richt zich binnen de opgave dan ook niet expliciet op de aantasting van de stedenbouwkundige woonmassa, maar gaat op zoek naar een manier waarop nieuw stedelijk programma kan worden ingepast in de bestaande structuur van de Westelijke Tuinsteden. Juist het behouden van karakteristieke elementen van dit gebied door deze te laten fungeren als bestaande randvoorwaarden voor nieuwe interventies ten behoeve van de Westelijke tuinsteden is hierbij de rode draad. Voor de inpassing van deze strategie heeft het atelier een kader ontworpen waarbinnen de verschillende individuele projecten vallen. Dit kader betreft een lusstructuur binnen de bestaande hoofdinfrastructuur van de Westelijke Tuinsteden. In het noorden en in het zuiden van het gebied wordt deze lus ontsloten via twee parkways respectievelijk de Burgemeester Roëllstraat en de Cornelis Lelylaan. Samen met een deel van de A10 vormt deze lus een gesloten geheel. Iedere individueel geformuleerde strategie van de verschillende studenten uit het atelier Parkstad zal in meer of mindere mate gekoppeld worden aan deze lusstructuur. Deze strategieën moeten gezien worden als casestudies welke met elkaar vergeleken zullen worden. Op deze manier wordt de werking van de lusstructuur vanuit verschillende kanten bekeken en door dezevergelijking kan de legitimiteit en de werking van de lus als geheel onderzocht worden.


"De lus" in de Westelijke Tuinsteden

Analyse

Mijn interventie is gebaseerd op geïdentificeerde problemen en karakteristieken van de Westelijke Tuinsteden. Alvorens de aanpak van mijn project te verduidelijken geef ik hier eerst een korte, meer persoonlijke analyse van de Westelijke Tuinsteden. In het volgende hoofdstuk zal ik de gekozen locatie voor mijn interventie behandelen.    

In het begin van de jaren twintig treed de volkswoningbouw steeds meer naar voren als belangrijke architectonische opgave. Met name de architecten van de moderne beweging nemen dit serieus en stellen het openbreken van het traditionele woonblok als een van hun belangrijkste aandachtspunten. Voor hen wordt binnen dit stedenbouwkundig element de relatie tussen de woning en de stad bepaald. Dit idee kreeg voorheen nauwelijks aandacht, mede doordat er geen wettelijk instrumentarium aanwezig was. Met het voorhanden komen van de benodigde juridische mogelijkheden in het begin van de twintigste eeuw, wordt het voor de (moderne) architecten mogelijk een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsverbetering van het wonen.    

Deze verbetering begint bij de woning zelf; binnen de woning worden functies opnieuw bekeken en geherstructureerd. Het doel van deze herprogrammering van de woning is het verkrijgen van een compacte, goedkope en kwalitatief optimale woning. Dit alles resulteert in een indeling van de woning met een aangepaste samenhang tussen de functieclusters van slapen en wonen. Dit onderzoek wordt geëxtrapoleerd naar de relatie tussen woningen onderling zowel in functionele, ruimtelijke als materiële zin. Hoofdmotieven bij dit onderzoek en vele latere werken van de modernisten, zijn licht, lucht en ruimte. Bij dit vervolg onderzoek spelen daardoor zowel de factoren bezonning, doorluchting en bereikbaarheid een rol, alsmede de inzet van nieuwe materialen, constructies en productiemethoden.

Uiteindelijk ontstaat de strokenbouw als resultante uit de onderzoeken. Strokenbouw betreft een verkaveling die gefundeerd is op een ideale bezonning van de woning. Deze woningen worden ondergebracht in parallel geplaatste gebouwen, bij voorkeur op gelijke wijze georiënteerd. In deze woningen zijn de slaapclusters gericht op het oosten en de woonclusters gericht op het westen. In deze verkaveling wordt de verhouding tussen de woning en haar omgeving op een compleet andere wijze ervaren als bij het eerder gehanteerde gesloten bouwblok.In de Westelijke Tuinsteden wordt de strategie van de stempeling toegepast. In deze strategie wordt het gebouw, zoals het gepositioneerd is wat betreft de bezonning, gestempeld in een zeer ruime configuratie waarin meer dan voldoende plaats gereserveerd wordt voor de beoogde bezonning, bereikbaarheid en doorluchting. Deze stempel wordt vervolgens enkele malen herhaald waardoor er een ensemble ontstaat, meerdere ensembles samen vormen een veld.   


Strategie van de "Stempeling"

De Westelijke Tuinsteden zijn monofunctioneel van opzet. Vrijwel alles in het gebied staat in dienst van één doel, namelijk het woonprogramma. In dit opzicht kennen de Westelijke Tuinsteden ruwweg slechts drie hoofdbouwstenen; de bebouwing, de openbare ruimte en de infrastructuur. Het oorspronkelijke plan had een omvangrijke structuur in zich verweven die de bewoner via een sequentie van steeds in afmeting toenemende groene ruimten van de eigen woning naar het groene hart van de Westelijke Tuinsteden, zijnde de Sloterplas, moest begeleiden.   


Sequentie van groenstructuur en privé – openbaar in de Westelijke Tuinsteden. (bron: Must Architecten)

Dit enscenerende karakter van het groen is tegenwoordig echter totaal verdrongen en verloren gegaan door de mobiliteit. Daar waar het groen zich vroeger nog opwierp als chaperonne voor de fietser of de voetganger is dit spel nu compleet verloren gegaan door de massale omarming van de auto en de hiermee gepaard gaande aanpassing van de openbare ruimte om dit te faciliteren. Dit maakt het momenteel zeer moeilijk in te schatten welke functies vele van deze openbare ruimtes zouden moeten hebben. Het is vaak moeilijk te beoordelen of het groen bestemd is als verblijfsruimte of als kijkgroen.   

Hiernaast heeft de toepassing van de eerder genoemde stempeling in het gebied een overduidelijke monotonie in de verschijning met zich meegebracht. De openbare ruimte wordt door steeds repeterende bouwmassa ingekaderd waardoor er nauwelijks differentiatie is in het beeld van de openbare ruimte. Als men eveneens het achterstallige onderhoud en de verloedering, die overal in het gebied toeslaat, in ogenschouw neemt is de enige conclusie dat het gaat om unheimische en onbestemde ruimten. Het negatieve effect van dit gebrek wordt in de Westelijke Tuinsteden nogmaals versterkt door de kwantiteit aan openbare ruimte en groen. Momenteel is tachtig procent van het totale oppervlak van de Westelijke Tuinsteden leeg cq niet bebouwd.


Repetitie van zowel massa als ruimte door de stroken verkaveling


Monotonie en Unheimische ruimten in de Westelijke Tuinsteden

Net als de rest van het gebied is de Sloterplas ontworpen en gerealiseerd naar het plan van van Eesteren. Het is een bekende misvatting dat het hier een plas of meer betreft waaromheen de Eestelijke Tuinsteden ontworpen of gegroeid zijn. De Sloterplas heeft naar mijn mening in het gebied van de Westelijke Tuinsteden een duaal karakter. De Sloterplas laadt haar periferie op met een geweldige potentie; ze belichaamd hét middel waarmee de doelen licht, lucht en ruimte in het gebied bereikt worden. De Sloterplas is een briljant rustmoment in het gebied dat adembenemende uitzichten creëert. Hiernaast echter, vertegenwoordigt de plas een grote leegte in het gebied; ze gaat met weinig tot geen gebieden in haar directe periferie een relatie aan. Men kan zich slechts enkele meters van de plas bevinden en toch niet bewust zijn van haar aanwezigheid. Dit probleem veroorzaakt in veel gevallen een non-relatie tussen de Sloterplas en het gebied dat zij dienen moet. Dit is een overduidelijke gemiste kans gezien het feit dat de Sloterplas een enorme potentie aan haar omgeving geven kan.


De Sloterplas

De opzet van het gebied voorzag op elk niveau, van straat en buurt tot wijkniveau, de woonfunctie van voorzieningen. Momenteel zijn echter de voorzieningen op straat- en buurtniveau verdwenen en zijn op wijkniveau eveneens te weinig voorzieningen overgebleven. Slechts op selectieve plekken hebben deze voorzieningen de tijd weten te overleven. Het winkelcentrum Osdorpcentrum is momenteel het hart van het gebied wat betreft voorzieningen en programma. Er is een overduidelijke programmatische leegstand in het gebied. Het feit dat het theater Meervaart in Osdorpcentrum de enige omvangrijke culturele toevoeging is steekt schraal af tegen het feit dat het hier een gebied betreft met een gelijke omvang en inwonersaantal als Maastricht.    

De gedachte achter de toegepaste strategie van de huidige herstructureringsopgave, het implementeren van afwijkende en vernieuwende woningtypologieën, is naar mijn mening geen verkeerde inzet om het gebied de noodzakelijke impuls te geven. De wijze waarop deze strategie toegepast wordt is echter niet functioneel. Door weinig of geen rekening te houden met de bestaande context van de Westelijke Tuinsteden en door de nieuwe projecten als in zichzelf gekeerde wooncapsules in het gebied te plaatsen streeft men het beoogde doel van integratie voorbij. Inzet van de herstructureringsopgave is immers het laten toenemen van de diversiteit van de bevolkingsgroepen, door het aanbrengen van koop- en huurwoningen in het duurdere segment. Juist door het ontwerpen in en met de bestaande context zal een project verankerd kunnen worden in het gebied. Door te profiteren en gebruik te maken van de kansen van de aanwezige hardware van de Westelijke Tuinsteden zal een symbiose mogelijk zijn tussen de oude en mogelijke nieuwe woonprogramma’s.

8 August 2006
By on 18:50
Tussenvorm, Interventie, Regel en Uitzondering

De bebouwing in de Westelijke Tuinsteden lijkt te drijven in het stedelijke weefsel. Door de opzet van het gebied met behulp van de stempeling is er sprake van enorme schaalsprongen in het gebied. Deze schaalsprongen zijn te vinden tussen de openbare ruimte en de bebouwing. Er is namelijk een schril contrast in het gebied aanwezig tussen deze twee hoofdelementen. De openbare ruimte wordt ervaren als leegte en de bebouwing als saaie bindingsloze massa. Dit wordt veroorzaakt doordat met de aanwezige stempelings-strategie veel ruimte gereserveerd werd voor de beoogde idealen van licht, lucht en ruimte, terwijl de stempels zelf gerealiseerd zijn als accentloze grijze brei. Hierbij opgeteld de geconstateerde verwording van de openbare ruimte tot onbestemde leegte door de onduidelijkheid van haar functie maakt dit beeld compleet. De verpaupering en het achterstallige onderhoud van de bebouwing wat in grote delen van het gebied zichtbaar is doet hier nog eens een schep bovenop. Door deze sprongen kunnen beide elementen (de massa en de leegte) geen relatie met elkaar aangaan. Beide elementen hebben omvangrijke afmetingen en staan daarbij haaks op elkaar wat een verband tussen deze twee onmogelijk maakt. Dit alles leidt tot het feit dat de Westelijke Tuinsteden verstoken zijn van een zogenaamde tussenvorm.    

Omdat er geen verankering in het stedelijk weefsel mogelijk is lijkt de bebouwing door dit gemis te drijven in de Westelijke Tuinsteden. De intermediair tussen de openbare ruimte enerzijds en de woonblokken anderzijds is afwezig. Anders gezegd is de bebouwing verstoken van een relatie met het maaiveld. Hierdoor is de bewoner van deze bebouwing de interactie met het maaiveld kwijt. Omdat beide genoemde elementen eveneens de menselijke maat ver overstijgen kan gesteld worden dat de Westelijke Tuinsteden verstoken zijn van een menselijke schaal.


Gemis aan een menselijke schaal, een tussenvorm in de Westelijke Tuinsteden

Het meest schrijnend is deze problematiek bij de aanwezige hoogbouw in het gebied. Op meerdere plekken in het gebied zijn galerijflats gerealiseerd met een hoogte tot ongeveer vijftien bouwlagen. Net als de rest van de bebouwing staan deze flats in stroken gepositioneerd voor een optimale bezonning. De woningen hebben veelal aan de oostzijde de galerijen en aan de westzijde de leefruimtes met eventueel een balkon. De openbare ruimte tussen de stroken is extra fors geproportioneerd om deze niet te laten verdrinken tussen de omringende hoogte van deze galerijflats. De eerder genoemde problematiek van de tussenvorm wordt hierdoor versterkt en is derhalve zeer nadrukkelijk aanwezig. De grote massa van de galerijflats straalt de eerder genoemde soberheid, monotonie en verpaupering uit terwijl de openbare tussen deze massa onbestemd, unheimisch en leeg aandoet.    

De aanlanding van de hoogbouw in de Westelijke Tuinsteden heeft net als vele andere aspecten van het gebied haar initiële functie en schoonheid verloren. Bij meerdere flats zijn nog overblijfselen te zien van weggerenoveerde functies in de plintlagen. In veel gevallen zijn deze functies door bergingen en of garageboxen vervangen. Deze nieuwe aanpassing vormen een extra barrière tussen de hoogbouw en het maaiveld. Waar ooit nog interactie was met het maaiveld door de aanwezige functies is nu niets meer. De bewoners van deze hoogbouw zijn hierdoor in sterke mate de binding met het maaiveld verloren. De bewoners bevinden zich enkel en alleen nog in de eigen compartimenten hoger gelegen in de gebouwen en hebben een onverschillig houding gekregen ten opzichte van het maaiveld, en het maaiveld ten opzichte van hen.    

Deze problematiek, het gemis aan de tussenvorm, is als aanleiding genomen voor mijn interventie in de Westelijke tuinsteden; het aanbrengen van een tussenvorm tussen de verticale massa en de horizontale leegte in de Westelijke tuinsteden. Het terugbrengen of wederom mogelijk maken van een relatie van de bewoner met het maaiveld. Hierbij gebruikmakend van beiden elementen, van de aanwezige modernistische hardware als gegeven randvoorwaarden. Het inbedden van de massa in het stedelijke weefsel van de Westelijke Tuinsteden door middel van het ontwerpen van een tussenvorm, een intermediair tussen deze twee elementen.

Interventie

Op voorhand zijn enkele eisen gesteld aan een te kiezen locatie voor mijn persoonlijke interventie. Als eerste is gesteld dat het een karakteristiek gebied betreffen moet en duidelijk herkenbaar dient te zijn als onderdeel van de Westelijke Tuinsteden. De tweede eis is dat het moet handelen over een gebied waar de problematiek van het ontbreken van de tussenvorm een duidelijke een rol speelt. Als laatste moeten vanzelfsprekend mogelijkheden in dit gebied aanwezig zijn om een koppeling aan te gaan met de door het afstudeer atelier geformuleerde strategie van de lus. Als locatie voor mijn individuele opdracht is gekozen voor het gebied ter hoogte van de Noordelijke oever van de Sloterplas gesitueerd tussen de Burgemeester Roëllstraat en de Sloterplas. In dit gebied staan drie modernistische galerijflats aan de Burgemeester Hogguerstraat. De flats zijn rond 1958 ontworpen door architect Piet Zanstra en zijn gebouwd tussen 1960 en 1966.   


Ontwerp van Piet Zanstra aan de Noordoever 1958, Aanbouw 1964, Sloterplas 1966.(bron: stedelijk foto archief Amsterdam)

Piet Zanstra maakte ooit deel uit van de architectengroep "Groep 32" die grotendeels bestond uit leden die zich aangetrokken voelden tot de moderne beweging welke toentertijd circa twintig jaar oud was. "Groep 32" is een in 1932 opgerichte afsplitsing van de "Opbouw" en "De 8". Deze bouwkundige stroming was van mening dat het functionalisme te ver doorgeschoten was in het Nieuwe Bouwen. Volgends de leden van "Groep 32" benaderden de functionalisten het bouwen te wetenschappelijk. Als reactie noemden de leden van "Groep 32" zich hierdoor ook wel "de traditionele functionalisten". De architecten van de "Groep 32" richtten zich op minder functionalistische architectuur dan de groep architecten van "De 8". Zanstra zei hierover: ‘Voor de oude generatie functionalisten was architectuur een kwestie van ontwerpen van zuivere constructies voor zuivere functies. Wij vonden dat ook de schoonheid van de vorm belangrijk was’, en: ‘Form follows function is waar, maar niet helemaal waar’. Enkele architecten van "Groep 32" waren Komter, Holt, Elzas, Giesen, Sijmons, J.P. Kloos en Piet Zanstra. Zanstra is na zijn studie als waterbouwkundige aan de HTS van Leeuwarden zijn loopbaan als architect begonnen bij architecten als Dick Greiner en W.M. Dudok. Zanstra  richtte in 1932 samen met Jan Giesen en Karel Sijmons het bureau Zanstra, Giesen en Sijmons op. In 1934 liet dit bureau zich kennen als aanhangers van de modernistische beweging door een blok atelier woningen op te leveren dat een zuiver voorbeeld is van het zogenaamde "het nieuwe bouwen". Met deze atelierwoningen verkreeg het bureau veel naamsbekendheid.   


Blok met atelierwoningen naar een ontwerp van Zanstra, Giesen en Sijmons uit 1934 (bron: Mens, 2004)

Aanvankelijk werden slechts weinig ontwerpen van Piet Zanstra uitgevoerd. Pas na de oorlog kwam voor Zanstra het succes. Piet Zanstra bouwde in verschillende steden en ontwierp naast woningen ook kerken, hotels, winkelcentra en parkeergarages. In 1954 verlieten Giesen en Sijmons het bureau en begonnen ieder hun eigen bureau. Zanstra zelf bleef ten alle tijden een constante factor in het bureau terwijl de andere compagnons steeds wisselden. In de jaren vijftig en zestig realiseerde Zanstra het overgrote deel van zijn projecten. Zanstra verliet het bureau, wat nu nog bestaat onder de naam ZZPD, in 1980. In 1960 ontving Piet Zanstra de Dr. H.P. Berlageprijs voor woningbouw. Rond 1980 stopte Zanstra als architect en overleed op 23 mei 2003.    

Het is hoogstwaarschijnlijk de overheersende rol van Van Eesteren geweest die de uiteindelijke verschijning van de flats aan de Sloterplas bepaald heeft. Van Eesteren heeft ten alle tijden zijn stempel op het ontwerp en de uitvoering van de Westelijke Tuinsteden gedrukt. Het ontwerp van de Westelijke Tuinsteden gaf een opzet die in zijn tijd nadere invulling van zogenaamde deelplannen nodig had. Van Eesteren is bij alle verschillende invulling van de deelplannen direct betrokken geweest en heeft hierbij de stempel van eenvormigheid, standaardisatie en functionaliteit doorgeduwd. Terwijl Zandsta als architect en lid van "Groep 32" streefde naar meer vorm en minder pure functionaliteit in zijn ontwerpen heeft hij in 1958 het ontwerp voor de drie flats aan de Sloterplas vervaardigt. Het is bijzonder typerend dat in het onlangs verschenen boek "ZZDP architecten-ondernemers", een boek over de gehele geschiedenis en projecten van het bureau van Zanstra, de flats aan de Sloterplas slechts in de bijlagen zeer kort genoemd wordt. Nergens in het boek is een afbeelding of tekst te vinden waarin de flats genoemd worden. Dit staat haaks op het feit dat diezelfde flats op de voorkant prijken van een boek van Cornelis van Eesteren over het ontwerp van de Westelijke Tuinsteden.   

De flats aan de Sloterplas zijn ontworpen in opdracht van het Philips Pensioenfonds. Oorspronkelijk zouden er 600 woningen, enkele garages en winkels opgeleverd worden. De huidige staat van de flats laat echter een ander beeld zien. De flats zijn verdeeld in dertien woonlagen die rusten op een plint. Deze plint heeft drie lagen; twee berginglagen met daarboven een kantoorlaag. De flats zijn 110 meter lang, en 45 meter hoog. De plint heeft een diepte van 18 meter en de woninglagen een diepte van 12 meter. De woonlagen hebben per flat 169 appartementen. De appartementen zijn verdeeld over drie verschillende typen met een gemiddeld oppervlak van 77 m2. De entreepartijen van de flats bevinden zich aan de noordzijde en zijn voorzien van een enkele liftschacht aan de westzijde en een trappenhuis. De entree is zowel bedoeld voor de kantoren, via een aparte deur, als voor de hoger gelegen woningen.


3d visualisatie van de huidige staat van de flat


3d visualisatie van de huidige staat van de flat

Dit massale drieluik aan de noordoever van de Sloterplas is door Van Eesteren altijd bedoeld geweest als het sterkste gebaar van de Westelijke Tuinsteden. Het beeld is vanaf vele plekken bepalend en de drie enorme flats kaderen als het ware de grootte van de Sloterplas in. De compositie en de afmetingen van drie flats maken dat ze als gebaar, als een van de weinige in het hele gebied, kan wedijveren met de Sloterplas. Juist dit duidelijke gebaar en haar relatie tot de Sloterplas heeft mijn persoonlijke affiniteit voor deze locatie aangewakkerd en ertoe geleid dat ik deze locatie nader ben gaan onderzoeken.   

Het grote gebaar van de drie flats is geplaatst in een ruim en open veld. Het contrast tussen de massa en de ruimte is extreem. Anders gezegd is het probleem van een tussenvorm in deze locatie zeer sterk aanwezig. De locatie heeft echter een grote potentie, die gedeeltelijk wordt ingeleid door de Burgemeester Roëllstraat. Rijden op deze straat werkt als een soort teaser van de Sloterplas; tussen de flats door zijn flitsen van de plas zichtbaar die de nieuwsgierigheid van de automobilist opwekken. Onder andere hierdoor ontstaat er een soort spanningsveld tussen de Roëllstraat (de infrastructuur) en de Sloterplas (de natuur). De onbestemdheid van de openbare ruimte is een duidelijk aanwezig probleem. Met name de slecht onderhouden staat van het veld rond de flats maakt het gebied zeer unheimisch. De beplanting en de begroeiing in het gebied en de overgrote hoeveelheid bomen versterken deze negatieve eigenschappen. De onregelmatige groei van de bomen, allen gelijktijdig geplant na de bouw van de flats in de jaren zestig, speelt hierin eveneens een belangrijke factor. Veel van de ruimtes in de kantoorlaag hebben te kampen met leegstand, terwijl deze gehele laag tevens een verpauperde uitstraling heeft. De kantoorlaag geeft een negatieve uitstraling aan de verschijning van de flats: de kopgevels worden mismaakt door reclameborden en de langsgevels worden ontsiert door de leegstaande en onderhoudsarme kantoorruimtes. De kantoren vormen een verschraling van zowel de openbare ruimte als de gebouwen waarin ze zijn opgenomen.


Plintlagen van de flats

Regel en Uitzondering

Het is algemeen bekend dat van Eesteren op slechts een minimaal aantal momenten in de Westelijke Tuinsteden ruimte gegeven heeft aan architectonische beleving, hij heeft veel meer de nadruk gelegd op een sobere en eenvoudige materialisering en vormgeving. Van Eesteren was een voorstander van de standaardisering van het bouwproces. De Westelijke Tuinsteden zijn derhalve doordrenkt met de functionaliteit van de nieuwe zakelijkheid. Dit alles heeft geleidt tot een op het eerste gezicht monotoon gebied van grijze woonblokken, die slechts op zeldzame locaties worden afgewisseld met architectonische accenten. Deze accenten zijn terug te vinden in sommige scholen, kerken of in een enkel paviljoen, maar treft men vrijwel nergens aan in de woningbouw. De grote tegenstelling ten opzichte van vele andere vormen van stedenbouw is dat de bebouwing van de stedenbouw van de Westelijke Tuinsteden door het ontbreken van deze accenten nergens ingekaderd of ingeleid wordt met behulp van architectonische accenten, met andere woorden de bebouwing van de Westelijke Tuinsteden heeft geen decor. Waar er bij de ontwerpen van bijvoorbeeld Berlage hele lanen en bouwblokken subtiel afgerond of beëindigd worden met behulp van architectonische accenten, komt men dit in de Westelijke Tuinsteden nergens tegen. Door het toepassen van de strategie van de stempeling ontstaat er een vorm van ritmiek in het gebied. Deze ritmiek wordt echter door het ontbreken van zowel inleiding als een afronding nergens ingekaderd. Hierdoor wordt deze ritmiek nergens een halt toe geroepen, wat ertoe leidt dat deze ritmiek overheerst en vervalt in niets meer dan saaie repetitie.    

De flats in de gekozen locatie zijn een karakteristiek voorbeeld van deze problematiek. Door de drievoudige stempeling van één enkel gebouwtype vormen de drie slabs als geheel duidelijk het begin van een regel, van een reeks. De gedachte hierachter is dat als drie objecten in een serie geplaatst worden dit een begin is van meer; één is enkelvoudig, twee is dubbelvoudig en drie is meervoudig. Door de directe repetitie of stempeling van de drie gebouwen wordt een regel gedicteerd. Afgezien van het sterke gebaar dat de drie flats als reeks aan de kop van de Sloterplas neerzetten is de herhaling van de massa juist ook een zwakte. Een zwakte die ontstaat door een regel die nergens begint noch eindigt. De stempeling insinueert dat er van deze flat meerderen aanwezig hadden kunnen zijn in deze reeks.


Linkerzijde oud situatie (1965), rechterzijde huidige situatie (2006) (bron: stedelijk foto archief Amsterdam)


By on 18:47
Variantenstudie

Naar aanleiding van zowel de analyse van de Westelijke Tuinsteden als de keuze voor een specifieke locatie is de beslissing genomen een studie te doen. Een onderzoek dat toegespitst is op het zoeken naar mogelijke implementaties en hoedanigheden van de eerder genoemde tussenvorm in de modernistische opzet van de gekozen locatie. Met andere woorden, hoe kan in deze specifieke locatie een overgangsgebied aangebracht worden tussen de immense schalen van de massa en de leegte. Een gebied of object dat een intermediar tussen de bebouwing en de openbare ruimte vormt. De hierdoor ontstane tussenvorm zal de bebouwing in het stedelijke weefsel inbedden. Deze variantenstudie moet gezien worden als een excercitie, een zoektocht naar mogelijke tussenvormen tussen de massa en de leegte van de Westelijke Tuinsteden.   

Uit de bovenstaande formulering blijkt reeds dat er gewerkt moet worden met en binnen de bestaande context. De twee elementen waartussen de intermediair aangebracht moet worden, zijn vaststaande gegevens in dit onderzoek. De openbare ruimte, vroeger de belangrijkste kwaliteit van het gebied, die momenteel als leegte aandoet moet met een aanpassing van de bebouwing (de grijze repeterende massa) wederom als pluspunt gaan functioneren. Naast het gebaar van de drie flats aan de plas wordt met name het ruime veld als gegeven meegenomen en aangesproken in deze studie. Om dit als zodanig te bewerkstelligen in het onderzoek is gesteld dat het silhouet van de drie flats, zoals dat vanaf de Sloterplas zichtbaar is, onaangetast blijft. Hierdoor blijft de vorm van de bovenbouw behouden. Ik ben van mening dat de betekenis van het beeld, dat de drie flats sinds de jaren zestig bepalen aan de kop van de Sloterplas, gezien moet worden als een monument en derhalve als onaantastbaar beschouwd moet worden.


De ontbrekende tussenvorm in de gekozen locatie


Het gestelde silhouet van de drie flats, gezien vanaf de Sloterplas

Slechts een selecte groep architectonische verschijningsvormen van een tussenvorm, die  geproduceerd zijn tijdens de variantenstudie, zullen hier besproken worden.

Variant 01    
Concept van een tussenvorm gecreëerd door middel van het toevoegen van een derde element in de vorm van volumes en objecten los van of naast de bestaande elementen. In dit concept wordt noch de massa noch het veld aangetast.

Variant 02    
De massa van de Slabs is als uitgangspunt genomen voor het concept van deze variant. De oorsprong van de ontworpen tussenvorm ligt in de massa. Door middel van een transformatie van dit elelment richting het andere element (het veld) komt de tussenvorm tot stand. Door het aanpakken van de sokkel van de massa blijft de tussenvorm verbonden met het veld.

Variant 03   
Tegenovergesteld van variant 02 komt hier het concept tot stand van een tussenvorm gecreëerd vanuit de leegte, het veld. Door middel van een transformatie van het ene element (het veld) richting de verticaliteit van de slabs worden ruimtes gecreëerd die kunnen functioneren als tussenvorm.

Variant 04   
Het concept van deze variant komt tot stand door juist te stellen dat het scheiden van de twee elementen een tussenvorm teweeg kan brengen. Door het losscheuren van de massa van het veld, ontstaat er een spanningsveld wat de beoogde tussenvorm doet ontstaan.   

Variant 05    
Door de Sloterplas te transformeren en te introduceren in het open veld is in dit concept een tussenvorm ontworpen. Door de aantasting van de leegte wordt deze opengebroken en ontstaan er plekken en ruimtes die als tussenvorm kunnen fungeren.

Variant 06   
Het concept van deze variant komt voort uit een infrastructuur die zich onder het maaiveld bevindt. De tussenvorm is hierdoor het scheidingsvlak tussen deze onderwereld en het maaiveld waarbij het programma als het ware ijsbergen vormt waarvan de toppen boven het maaiveld uit steken. De tussenvorm is voor een deel in het veld verscholen.   

Variant 07   
De lineaire lagen van de flats worden in dit concept aangegrepen om een tussenvorm te creëren  Door deze lagen in horizontale richting te transformeren ontstaan er nieuwe ruimtes op het veld. Met name de interactie tussen de verschillende flats onderling geeft in dit concept een nieuw ruimtelijk beeld van het (maai)veld. Deze nieuwe ruimtelijkheid is de tussenvorm die hiermee ontworpen is.   

Variant 08   
Met behulp van een landschappelijk ontwerp van de oever van de Sloterplas worden veld (de leegte) en de Sloterplas (motief van de Westelijke Tuinsteden) met elkaar verweven waardoor een tussenvorm ontstaat.

Variant 09   
Door middel van een herontwerp van de infrastructuur, die in het gebied geconcentreerd zal worden, zullen ruimtes gecreëerd worden onder de nieuwe wegen en in de slabs die doorboord worden door de infrastructuur. De huidige infrastructuur die het gebied ontsluit wordt gekruist via het gebied.

Variant 10    
Dit concept is ontworpen vanuit een combinatie van variant 02 en variant 07. Door in dit concept zowel uit te gaan van een aanpassing van de flats buiten hun bestaande afmetingen en deze aanpassing te concentreren in de plint van de flats kan er een tussenvorm ontworpen worden. De ontstane tussenvorm is een gradiënt tussen het horizontale van het veld en het verticale van de flats. Wanneer het veld enerzijds en de massa anderzijds tevens in deze gradiënt verweven worden is de intermediair compleet.

Variant 11   
Als reactie op de composities die ontstaan vanuit het concept van variant 10, waarbij elke flat zijn eigen identiteit krijgt, wordt er in dit concept een voorstel gedaan voor een compositie van de drie flats als geheel. Door hierbij wederom de sokkel aan te pakken kan er in een tussenvorm ontworpen worden binnen deze enkelvoudige compositie.


By on 18:41