De bebouwing in de Westelijke Tuinsteden lijkt te drijven in het stedelijke weefsel. Door de opzet van het gebied met behulp van de stempeling is er sprake van enorme schaalsprongen in het gebied. Deze schaalsprongen zijn te vinden tussen de openbare ruimte en de bebouwing. Er is namelijk een schril contrast in het gebied aanwezig tussen deze twee hoofdelementen. De openbare ruimte wordt ervaren als leegte en de bebouwing als saaie bindingsloze massa. Dit wordt veroorzaakt doordat met de aanwezige stempelings-strategie veel ruimte gereserveerd werd voor de beoogde idealen van licht, lucht en ruimte, terwijl de stempels zelf gerealiseerd zijn als accentloze grijze brei. Hierbij opgeteld de geconstateerde verwording van de openbare ruimte tot onbestemde leegte door de onduidelijkheid van haar functie maakt dit beeld compleet. De verpaupering en het achterstallige onderhoud van de bebouwing wat in grote delen van het gebied zichtbaar is doet hier nog eens een schep bovenop. Door deze sprongen kunnen beide elementen (de massa en de leegte) geen relatie met elkaar aangaan. Beide elementen hebben omvangrijke afmetingen en staan daarbij haaks op elkaar wat een verband tussen deze twee onmogelijk maakt. Dit alles leidt tot het feit dat de Westelijke Tuinsteden verstoken zijn van een zogenaamde tussenvorm.
Omdat er geen verankering in het stedelijk weefsel mogelijk is lijkt de bebouwing door dit gemis te drijven in de Westelijke Tuinsteden. De intermediair tussen de openbare ruimte enerzijds en de woonblokken anderzijds is afwezig. Anders gezegd is de bebouwing verstoken van een relatie met het maaiveld. Hierdoor is de bewoner van deze bebouwing de interactie met het maaiveld kwijt. Omdat beide genoemde elementen eveneens de menselijke maat ver overstijgen kan gesteld worden dat de Westelijke Tuinsteden verstoken zijn van een menselijke schaal.

Gemis aan een menselijke schaal, een tussenvorm in de Westelijke Tuinsteden
Het meest schrijnend is deze problematiek bij de aanwezige hoogbouw in het gebied. Op meerdere plekken in het gebied zijn galerijflats gerealiseerd met een hoogte tot ongeveer vijftien bouwlagen. Net als de rest van de bebouwing staan deze flats in stroken gepositioneerd voor een optimale bezonning. De woningen hebben veelal aan de oostzijde de galerijen en aan de westzijde de leefruimtes met eventueel een balkon. De openbare ruimte tussen de stroken is extra fors geproportioneerd om deze niet te laten verdrinken tussen de omringende hoogte van deze galerijflats. De eerder genoemde problematiek van de tussenvorm wordt hierdoor versterkt en is derhalve zeer nadrukkelijk aanwezig. De grote massa van de galerijflats straalt de eerder genoemde soberheid, monotonie en verpaupering uit terwijl de openbare tussen deze massa onbestemd, unheimisch en leeg aandoet.
De aanlanding van de hoogbouw in de Westelijke Tuinsteden heeft net als vele andere aspecten van het gebied haar initiële functie en schoonheid verloren. Bij meerdere flats zijn nog overblijfselen te zien van weggerenoveerde functies in de plintlagen. In veel gevallen zijn deze functies door bergingen en of garageboxen vervangen. Deze nieuwe aanpassing vormen een extra barrière tussen de hoogbouw en het maaiveld. Waar ooit nog interactie was met het maaiveld door de aanwezige functies is nu niets meer. De bewoners van deze hoogbouw zijn hierdoor in sterke mate de binding met het maaiveld verloren. De bewoners bevinden zich enkel en alleen nog in de eigen compartimenten hoger gelegen in de gebouwen en hebben een onverschillig houding gekregen ten opzichte van het maaiveld, en het maaiveld ten opzichte van hen.
Deze problematiek, het gemis aan de tussenvorm, is als aanleiding genomen voor mijn interventie in de Westelijke tuinsteden; het aanbrengen van een tussenvorm tussen de verticale massa en de horizontale leegte in de Westelijke tuinsteden. Het terugbrengen of wederom mogelijk maken van een relatie van de bewoner met het maaiveld. Hierbij gebruikmakend van beiden elementen, van de aanwezige modernistische hardware als gegeven randvoorwaarden. Het inbedden van de massa in het stedelijke weefsel van de Westelijke Tuinsteden door middel van het ontwerpen van een tussenvorm, een intermediair tussen deze twee elementen.
Interventie
Op voorhand zijn enkele eisen gesteld aan een te kiezen locatie voor mijn persoonlijke interventie. Als eerste is gesteld dat het een karakteristiek gebied betreffen moet en duidelijk herkenbaar dient te zijn als onderdeel van de Westelijke Tuinsteden. De tweede eis is dat het moet handelen over een gebied waar de problematiek van het ontbreken van de tussenvorm een duidelijke een rol speelt. Als laatste moeten vanzelfsprekend mogelijkheden in dit gebied aanwezig zijn om een koppeling aan te gaan met de door het afstudeer atelier geformuleerde strategie van de lus. Als locatie voor mijn individuele opdracht is gekozen voor het gebied ter hoogte van de Noordelijke oever van de Sloterplas gesitueerd tussen de Burgemeester Roëllstraat en de Sloterplas. In dit gebied staan drie modernistische galerijflats aan de Burgemeester Hogguerstraat. De flats zijn rond 1958 ontworpen door architect Piet Zanstra en zijn gebouwd tussen 1960 en 1966.

Ontwerp van Piet Zanstra aan de Noordoever 1958, Aanbouw 1964, Sloterplas 1966.(bron: stedelijk foto archief Amsterdam)
Piet Zanstra maakte ooit deel uit van de architectengroep "Groep 32" die grotendeels bestond uit leden die zich aangetrokken voelden tot de moderne beweging welke toentertijd circa twintig jaar oud was. "Groep 32" is een in 1932 opgerichte afsplitsing van de "Opbouw" en "De 8". Deze bouwkundige stroming was van mening dat het functionalisme te ver doorgeschoten was in het Nieuwe Bouwen. Volgends de leden van "Groep 32" benaderden de functionalisten het bouwen te wetenschappelijk. Als reactie noemden de leden van "Groep 32" zich hierdoor ook wel "de traditionele functionalisten". De architecten van de "Groep 32" richtten zich op minder functionalistische architectuur dan de groep architecten van "De 8". Zanstra zei hierover: ‘Voor de oude generatie functionalisten was architectuur een kwestie van ontwerpen van zuivere constructies voor zuivere functies. Wij vonden dat ook de schoonheid van de vorm belangrijk was’, en: ‘Form follows function is waar, maar niet helemaal waar’. Enkele architecten van "Groep 32" waren Komter, Holt, Elzas, Giesen, Sijmons, J.P. Kloos en Piet Zanstra. Zanstra is na zijn studie als waterbouwkundige aan de HTS van Leeuwarden zijn loopbaan als architect begonnen bij architecten als Dick Greiner en W.M. Dudok. Zanstra richtte in 1932 samen met Jan Giesen en Karel Sijmons het bureau Zanstra, Giesen en Sijmons op. In 1934 liet dit bureau zich kennen als aanhangers van de modernistische beweging door een blok atelier woningen op te leveren dat een zuiver voorbeeld is van het zogenaamde "het nieuwe bouwen". Met deze atelierwoningen verkreeg het bureau veel naamsbekendheid.

Blok met atelierwoningen naar een ontwerp van Zanstra, Giesen en Sijmons uit 1934 (bron: Mens, 2004)
Aanvankelijk werden slechts weinig ontwerpen van Piet Zanstra uitgevoerd. Pas na de oorlog kwam voor Zanstra het succes. Piet Zanstra bouwde in verschillende steden en ontwierp naast woningen ook kerken, hotels, winkelcentra en parkeergarages. In 1954 verlieten Giesen en Sijmons het bureau en begonnen ieder hun eigen bureau. Zanstra zelf bleef ten alle tijden een constante factor in het bureau terwijl de andere compagnons steeds wisselden. In de jaren vijftig en zestig realiseerde Zanstra het overgrote deel van zijn projecten. Zanstra verliet het bureau, wat nu nog bestaat onder de naam ZZPD, in 1980. In 1960 ontving Piet Zanstra de Dr. H.P. Berlageprijs voor woningbouw. Rond 1980 stopte Zanstra als architect en overleed op 23 mei 2003.
Het is hoogstwaarschijnlijk de overheersende rol van Van Eesteren geweest die de uiteindelijke verschijning van de flats aan de Sloterplas bepaald heeft. Van Eesteren heeft ten alle tijden zijn stempel op het ontwerp en de uitvoering van de Westelijke Tuinsteden gedrukt. Het ontwerp van de Westelijke Tuinsteden gaf een opzet die in zijn tijd nadere invulling van zogenaamde deelplannen nodig had. Van Eesteren is bij alle verschillende invulling van de deelplannen direct betrokken geweest en heeft hierbij de stempel van eenvormigheid, standaardisatie en functionaliteit doorgeduwd. Terwijl Zandsta als architect en lid van "Groep 32" streefde naar meer vorm en minder pure functionaliteit in zijn ontwerpen heeft hij in 1958 het ontwerp voor de drie flats aan de Sloterplas vervaardigt. Het is bijzonder typerend dat in het onlangs verschenen boek "ZZDP architecten-ondernemers", een boek over de gehele geschiedenis en projecten van het bureau van Zanstra, de flats aan de Sloterplas slechts in de bijlagen zeer kort genoemd wordt. Nergens in het boek is een afbeelding of tekst te vinden waarin de flats genoemd worden. Dit staat haaks op het feit dat diezelfde flats op de voorkant prijken van een boek van Cornelis van Eesteren over het ontwerp van de Westelijke Tuinsteden.
De flats aan de Sloterplas zijn ontworpen in opdracht van het Philips Pensioenfonds. Oorspronkelijk zouden er 600 woningen, enkele garages en winkels opgeleverd worden. De huidige staat van de flats laat echter een ander beeld zien. De flats zijn verdeeld in dertien woonlagen die rusten op een plint. Deze plint heeft drie lagen; twee berginglagen met daarboven een kantoorlaag. De flats zijn 110 meter lang, en 45 meter hoog. De plint heeft een diepte van 18 meter en de woninglagen een diepte van 12 meter. De woonlagen hebben per flat 169 appartementen. De appartementen zijn verdeeld over drie verschillende typen met een gemiddeld oppervlak van 77 m2. De entreepartijen van de flats bevinden zich aan de noordzijde en zijn voorzien van een enkele liftschacht aan de westzijde en een trappenhuis. De entree is zowel bedoeld voor de kantoren, via een aparte deur, als voor de hoger gelegen woningen.

3d visualisatie van de huidige staat van de flat

3d visualisatie van de huidige staat van de flat
Dit massale drieluik aan de noordoever van de Sloterplas is door Van Eesteren altijd bedoeld geweest als het sterkste gebaar van de Westelijke Tuinsteden. Het beeld is vanaf vele plekken bepalend en de drie enorme flats kaderen als het ware de grootte van de Sloterplas in. De compositie en de afmetingen van drie flats maken dat ze als gebaar, als een van de weinige in het hele gebied, kan wedijveren met de Sloterplas. Juist dit duidelijke gebaar en haar relatie tot de Sloterplas heeft mijn persoonlijke affiniteit voor deze locatie aangewakkerd en ertoe geleid dat ik deze locatie nader ben gaan onderzoeken.
Het grote gebaar van de drie flats is geplaatst in een ruim en open veld. Het contrast tussen de massa en de ruimte is extreem. Anders gezegd is het probleem van een tussenvorm in deze locatie zeer sterk aanwezig. De locatie heeft echter een grote potentie, die gedeeltelijk wordt ingeleid door de Burgemeester Roëllstraat. Rijden op deze straat werkt als een soort teaser van de Sloterplas; tussen de flats door zijn flitsen van de plas zichtbaar die de nieuwsgierigheid van de automobilist opwekken. Onder andere hierdoor ontstaat er een soort spanningsveld tussen de Roëllstraat (de infrastructuur) en de Sloterplas (de natuur). De onbestemdheid van de openbare ruimte is een duidelijk aanwezig probleem. Met name de slecht onderhouden staat van het veld rond de flats maakt het gebied zeer unheimisch. De beplanting en de begroeiing in het gebied en de overgrote hoeveelheid bomen versterken deze negatieve eigenschappen. De onregelmatige groei van de bomen, allen gelijktijdig geplant na de bouw van de flats in de jaren zestig, speelt hierin eveneens een belangrijke factor. Veel van de ruimtes in de kantoorlaag hebben te kampen met leegstand, terwijl deze gehele laag tevens een verpauperde uitstraling heeft. De kantoorlaag geeft een negatieve uitstraling aan de verschijning van de flats: de kopgevels worden mismaakt door reclameborden en de langsgevels worden ontsiert door de leegstaande en onderhoudsarme kantoorruimtes. De kantoren vormen een verschraling van zowel de openbare ruimte als de gebouwen waarin ze zijn opgenomen.

Plintlagen van de flats
Regel en Uitzondering
Het is algemeen bekend dat van Eesteren op slechts een minimaal aantal momenten in de Westelijke Tuinsteden ruimte gegeven heeft aan architectonische beleving, hij heeft veel meer de nadruk gelegd op een sobere en eenvoudige materialisering en vormgeving. Van Eesteren was een voorstander van de standaardisering van het bouwproces. De Westelijke Tuinsteden zijn derhalve doordrenkt met de functionaliteit van de nieuwe zakelijkheid. Dit alles heeft geleidt tot een op het eerste gezicht monotoon gebied van grijze woonblokken, die slechts op zeldzame locaties worden afgewisseld met architectonische accenten. Deze accenten zijn terug te vinden in sommige scholen, kerken of in een enkel paviljoen, maar treft men vrijwel nergens aan in de woningbouw. De grote tegenstelling ten opzichte van vele andere vormen van stedenbouw is dat de bebouwing van de stedenbouw van de Westelijke Tuinsteden door het ontbreken van deze accenten nergens ingekaderd of ingeleid wordt met behulp van architectonische accenten, met andere woorden de bebouwing van de Westelijke Tuinsteden heeft geen decor. Waar er bij de ontwerpen van bijvoorbeeld Berlage hele lanen en bouwblokken subtiel afgerond of beëindigd worden met behulp van architectonische accenten, komt men dit in de Westelijke Tuinsteden nergens tegen. Door het toepassen van de strategie van de stempeling ontstaat er een vorm van ritmiek in het gebied. Deze ritmiek wordt echter door het ontbreken van zowel inleiding als een afronding nergens ingekaderd. Hierdoor wordt deze ritmiek nergens een halt toe geroepen, wat ertoe leidt dat deze ritmiek overheerst en vervalt in niets meer dan saaie repetitie.
De flats in de gekozen locatie zijn een karakteristiek voorbeeld van deze problematiek. Door de drievoudige stempeling van één enkel gebouwtype vormen de drie slabs als geheel duidelijk het begin van een regel, van een reeks. De gedachte hierachter is dat als drie objecten in een serie geplaatst worden dit een begin is van meer; één is enkelvoudig, twee is dubbelvoudig en drie is meervoudig. Door de directe repetitie of stempeling van de drie gebouwen wordt een regel gedicteerd. Afgezien van het sterke gebaar dat de drie flats als reeks aan de kop van de Sloterplas neerzetten is de herhaling van de massa juist ook een zwakte. Een zwakte die ontstaat door een regel die nergens begint noch eindigt. De stempeling insinueert dat er van deze flat meerderen aanwezig hadden kunnen zijn in deze reeks.

Linkerzijde oud situatie (1965), rechterzijde huidige situatie (2006) (bron: stedelijk foto archief Amsterdam)